ontdekt. Een fliebertje datje als een soort
elastiekje
kunt gebruiken. Hij trekt er eens aan. Ploink, springt
het weer terug. Jeroentje giechelt tevreden en doet het
nog eens. Zo ver als hij kan. Ploink! Hij krijgt de hik
van het lachen. Iiiieeeps... ploink! Kleine traantjes
komen ervan in Jeroentjes ogen.
Maar dan ziet hij opeens de snipper
wc-papier weer
en bedenkt dat er nog iets veel belangrijkers is. Hij
gaat rechtop staan en scheurt de rest van het papier
dat op de grond ligt ook aan snippers. Wanneer hij
klaar is, schept hij de hele berg met twee handjes
tegelijk in de wasbak. Hij kijkt er heel ernstig bij.
„Dagge seepapie!" zegt hij. „Totteziens!"
Dan pas ziet hij Erik. Met stralende
lieve-jongetjes-
ogen kijkt Jeroentje hem aan.
'Wat een knul,' denkt Erik. 'Maar hij durft
wel, dat
moet ik toegeven.'
„Bob!" roept Erik dan naar zijn vader, „ik
geloof dat
je wc-papier naar de haaien gaat."